Grensverleggers, het debuut van Miryam Schobben is een tegendraadse, absurdistische roman met als middelpunt de timide Maria Bos, die zich na de nodige sores in haar leven volledig op de hamsterfokkerij stort, een onalledaagse hobby die zij deelt met de Duitse Uta en de Waalse Hubert die ze via het internationaal hamsternetwerk in het Belgische Moresnet leert kennen.
Dan ontmoet Maria de Sloveense oud-mijnwerker en anarchist Janez Novak, waarmee Schobben een effectief contrast creëert; Maria lijdt vooral vanbinnen, Janez rijdt rond in een scootmobiel en heeft zichtbaar te lijden gehad. Zij is zwijgzaam en bedeesd, hij rauw en uitgesproken. Wanneer het viertal samenkomt, in de staart van de coronapandemie, ontstaan er plannen voor een heuse verzetsdaad die een ongewilde wending neemt.

De invloed van grenzen op de leefsfeer
Auteur Miryam Schobben groeide op in de grensstreek Nederland-België-Duitsland waar dit verhaal zich afspeelt, een gebied waar de zin en onzin van landsgrenzen – en het verschil in wetgeving dat dit met zich meebrengt – invloed uitoefent op de leefsfeer.
‘Hoeveel grenzen moet je als mens beslechten voordat je een bevredigend leven leidt?’ peinst Maria op enig moment. En: ‘Verleg je een grens zodra je een ander land binnentreedt, of verlegt het land een grens in jou?’ Een prachtige, prangende vraag. Treffend ook; in dit boek draait alles om grenzen. Het honoreren of overschrijden ervan. Maar ook om grenzen die wij als mens bedenken, ervaren, bevechten en verleggen.
Rauw en levensecht
De personages en hun levens doen klein en menselijk aan, zó doodgewoon – op die hamsterliefhebberij na, die hen eigenlijk nog meelijwekkender maakt – dat het schuurt. Het is zo alledaags dat je bij jezelf te rade gaat: heb ik óók zo’n futiel en saai leven? Schobben schrijft met oog voor detail en schroomt het onaantrekkelijke of alledaagse niet. Haar personages zweten, banjeren met natte voeten over goedkoop vinyl, proberen zichzelf met mantra’s gerust te stellen en krabben argeloos schilfertjes van hun neus.
Gaandeweg leer je ze beter kennen en ontdek je dat er – gelukkig – een reden is voor het type leven dat sommigen zichzelf hebben aangemeten. En zoals de bezwangerde hamsters in dit boek, groeit er ook in deze mensen iets dat nieuw leven belooft.

Miryam Schobben schuwt de rauwe realiteit niet en weet bepaalde details kundig uit te vergroten, waardóór het schuurt of een lach oproept, waardóór je je ergert of benieuwd wordt naar de afloop. Ze weet iets los te maken en de focus te verschuiven; bij aanvang lijkt dit boek te gaan over een groepje zielige hamsterfanaten, maar uiteindelijk besef je dat het mensen zijn zoals jij en ik, die zich moedig een weg knagen door dit bestaan.

Schobben kiest, passend bij haar schrijfstijl, voor een einde dat ons achterlaat met een warm gevoel en de ruimte om zelf nog een en ander in te vullen. En die hamsters? Ook die trotseren grenzen!